De Pool

 

Hij is dood, onze Pool. De rest van de wereld kent hem als Frank Papendrecht, maar in onze band noemden we hem ‘de Pool’, omdat hij een Poolse moeder had.

 

In 1974 zocht de Haagse band Smyle een gitarist. Smyle had hits gescoord met ‘It’s Gonna Be Alright’ en ‘The Tandem’. Mark Boon had er geen zin meer in. Ik meldde me bij de groep, maar toen Mark mijn demo hoorde, zei hij tegen de manager: “Die gitarist is toch zo weer weg, breng hem maar liever met mij in contact om iets nieuws te beginnen.”

Waarop Mark en ik besloten een band te beginnen en onder meer een bassist te zoeken. Op een avond kwam er aan de Perponcherstraat in Den Haag, waar ik toen woonde, op de fiets een schuchtere jongeman langs, in een zwarte houtjetouwtjesjas. Dat was Frank.

 

We spraken een auditie af, maar toen Frank was vertrokken, zei ik tegen Mark: “Dat kan niks zijn, iemand die zo’n jas draagt.”

 

Maar het was wel wat, zo bleek tijdens de auditie in een sportkeet in Wateringen. En uiteindelijk heeft Frank bij Diesel mijn favoriete baspartij aller tijden gespeeld: die van Sausalito Summernight.

 

We waren nog niet meteen Diesel. We begonnen als The Hammer, met op drums Harm Bieger, later bij The Mo, en met Frits Hirschland als manager. Die deed toen ook Kayak.

 

Frank was een dankbaar slachtoffer voor practical jokes. Op een dag repeteerden we in een half gesloopt Heinekenpand in Amsterdam. Tussen het puin vond ik een loodzwaar gietijzeren hek, althans, zo zag het eruit. In feite bestond het uit vederlicht plastic. Ik herkende onmiddellijk het humorpotentieel. Mark en ik pakten het ding samen beet en deden of we het ding nauwelijks konden tillen.

 

“Hé Frank”, riep ik om zijn aandacht te trekken. Hij keek en zag ons zwoegen met dat ‘loodzware’ hek, dat we vervolgens naar hem toe slingerden. Hij schrok zich wezenloos.

 

The Hammer werd geen succes, maar een avontuurlijkere periode heb ik muzikaal nooit meer meegemaakt. Op mijn zolder had ik een studiootje met een vierkanaals-TEAC-recorder, die ons voor demo-opnamen onafhankelijk maakte van de platenstudio’s. We experimenteerden dat het een lieve lust was.

 

Op een dag in 1975 zei Frank, terwijl we bezig waren in mijn homestudio, met een wat schuldige blik: “Eh... ik eh... ga een halfjaar in Israël in de kibboets werken.”

 

“Dan kun je er meteen blijven”, was mijn reactie, vriendelijk als altijd.

Frank vertrok en ik was zo gedesillusioneerd dat ik mijn gitaar aan de wilgen hing. Mark ging bij Stamp ’n Go spelen en ik ging wat later in Leiden Russisch studeren.

 

Vier jaar laten richtten Mark, Pim en ik Diesel op en we haalden Frank erbij.  We scoorden drie hits: ‘Going Back to China’, ‘Down in the Silvermine’ en ‘Sausalito Summernight’.

 

Frank baste weer fantastisch, als vanouds, zong koortjes met die prachtige tenor, en bleef het slachtoffer van practical jokes. Toen hij, een keer op de terugreis van een optreden, diep in de nacht in de auto in slaap was gevallen, trapte ik keihard op de rem, terwijl de rest van de band het op een schreeuwen zette. Hij schrok zich weer een ongeluk. Een jeugdzonde, zullen we maar zeggen, dit soort grapjes. Don't do this at home!

 

Sinds 1980 heb ik nog maar af en toe met Frank gespeeld, voor het laatst in 2004. Twee jaar later, op 14 september 2006, zag ik hem in Delft, waar Kayak speelde in Speakers en Frank in het voorprogramma een aantal jongens van Alquin versterkte. Dat was de laatste keer dat ik hem zag.

 

Het is bon ton om over een overledene geen minpunten op te rakelen: over de doden niets dan goeds. In het geval van Frank is dit een overbodig advies: er zijn geen minpunten. Ik heb nooit een greintje kwaad in hem bespeurd.

Een schrale troost bij zijn dood is die prachtige baspartij die hij heeft nagelaten.

 

Frank werd op dinsdag 16 november 2009 volkomen onverwacht geveld door een hartstilstand. Zijn teller is op 56 jaar blijven steken. Dat is veel minder dan een goed mens verdient.


Rob