Geen klootzakken

 

In de loop der tijd zijn er bij de blogs al flink wat albums onder de hamer gegaan, maar een groep als Kayak bestaat natuurlijk niet alleen bij de gratie van CD's. Voor wie het nog niet wist: we treden ook wel eens op. Er staat elders op de site een lijstje van zalen en data waar we vermoedelijk gespeeld hebben, hoewel ik nauwelijks voor de correctheid van de gegevens en zeker niet voor de volledigheid ervan kan instaan. Maar het geeft een aardig beeld van waar we zo al in de loop der jaren onze avonden hebben doorgebracht.

 

Ik heb het al eens eerder gezegd in een vroegere blog, dat zich met het ophalen van herinneringen aan live optredens het merkwaardige fenomeen voordoet, dat diezelfde herinneringen meestal weinig  te maken hebben met de muziek die we speelden- hoewel het daarom, zij het tegen een zekere financiele vergoeding, toch begonnen was en nog steeds gaat. Maar wat je onthoudt en navertelt is nu eenmaal niet hoe geweldig het in zaal Strontzicht te Herejezusveen was, en hoeveel toegiften er wel niet gespeeld moesten worden op dat gezellige en dit keer niet verregende Stropfestival , maar juist wat er fout ging- of wat er afweek van het gebruikelijke stramien van zo'n optreden. Kortom, tijd voor een paar anekdotes.

 

Wat me in dit kader meteen te binnenschiet (vergeef me als ik iets vertel wat al eerder ter sprake is gekomen) is een van onze eerste optredens in het plaatsje Appelscha, begin 1973 of daaromtrent. Behalve wat verre familieleden van gitarist Johan Slager was er die avond vrijwel geen publiek op komen dagen. Ons zendelingenwerk moest hier duidelijk nog volledig van de grond komen: het totaal aantal bandleden plus crew plus aanhang versloeg het aantal betalende bezoekers in elk geval met ruime cijfers. De zaaleigenaar was hier natuurlijk niet erg blij mee, maar hij had nog meer problemen: in de pauze kwam hij naar de kleedkamer toe (nou ja, kleedkamer: achterin de keuken van het belendende restaurant, zeg maar) om te vragen of het allemaal niet een beetje zachter kon. Hij had nog nooit zo'n harde band gehoord.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze manager, de al vaker gememoreerde Frits Hirschland, nam het direct grootmoedig voor ons op, en liet de man vriendelijk doch beslist weten dat dit toch echt een heel normaal volume was voor een band als Kayak, en dat wij gewoon ALTIJD op dit volume speelden. Wist meneer de zaaleigenaar eigenlijk wel welke band hij geboekt had? Op datzelfde moment kwam onze geluidstechnicus de keuken binnenrijden. U leest het goed, binnenrijden. Hij had namelijk ergens in het pand een rolstoel opgedoken, en had daarmee de bandleden aan het lachen willen maken. Maar waar hij de zaak echt mee stil kreeg, was niet die rolstoel. In zijn oren had hij namelijk, ter verhoging van het humoristische gehalte van zijn entree, twee grote, zeker 25 centimeter uitpuilende proppen watten gestopt, waarmee hij het pleidooi van ons management dat wij altijd op dit volume speelden, zonder het te weten effectief ontkrachtte. Na de pauze speelden we toch maar op een wat beschaafder volume, maar heel vaak heeft men ons niet meer in Appelscha gezien.

 

Een ander pijnlijk moment deed zich voor ergens in Brabant, Oisterwijk of zoiets, ook zo rond 1973-74 moet het geweest zijn. De zaal zat redelijk tot goed vol, maar waarom het publiek nu eigenlijk was gekomen, was ons een raadsel: enige interesse, laat staan applaus voor de band van dienst bleef volstrekt uit. Iedereen had elkaar blijkbaar al maanden niet gezien of gesproken, want we kwamen amper boven de ouwehoerende massa uit- een hele prestatie van die massa, gezien ons gebruikelijke volume (zie de vorige alinea). Pas toen we ons optreden beeindigden, werd men blijkbaar ineens wakker: vanaf het moment dat we het trapje naar de kleedkamer afdaalden, werd er tot onze stomme verbazing om 'more' geroepen. Dat geroep bleef aanhouden, maar wij hadden er absoluut geen zin meer in om ons uit te sloven voor een totaal ongeinteresseerd publiek dat alleen maar achtergrondlawaai nodig had voor hun gewauwel. Na een paar minuten waarin het 'we want more' af en toe wegzakte om vervolgens weer tot oorverdovende hoogtes op te laaien, kwam een radeloze organisator naar beneden, die ons vroeg waarom we geen toegift speelden terwijl het publiek daar toch om bleef roepen. Wij legden hem onze beweegredenen daarvoor duidelijk uit, en een niet onbelangrijk deel van onze motivatie bestond uit 'het zijn een stelletje klootzakken', waarmee wij, en dan met name Pim, doelden op dit onberekenbare publiek.

 

De organisator vertrok weer naar boven, licht morrend en schouderophalend. Even later werd er tot onze verbijstering de volgende mededeling de zaal ingeslingerd: "Test...hallo...ja...? Eh... Kayak doet geen toegift, want jullie zijn een stelletje klootzakken!" Een flink boegeroep was- begrijpelijk- zijn, maar misschien nog wel meer ons deel. Toen de man weer het trapje afkwam, probeerden wij hem aan zijn verstand te peuteren dat dit niet zo'n heel erg handige opmerking was. We wilden graag levend uit Oisterwijk afreizen, en dit was niet de manier waarop dat zou gaan lukken. Enfin, na veel gejeremieer vertrok de man weer richting podium, nam de micofoon ter hand en liet de aanwezigen weten dat ze "...toch geen klootzakken waren.!" Men begrijpt, het concert werd uiteindelijk ongelooflijk succesvol afgesloten met een daverende toegift en een laaiende menigte fans voor het leven.

 

Elders in Brabant, ik noem de plaats veiligiheidshalve maar even niet, speelden we in 1979 tijdens de Phantom of the Night-periode. Dat was een drukke tijd met veel optredens, die we- in tegenstelling tot andere jaren- op eigen risico organiseerden. Dat wil zeggen, we huurden de zaal af en ontvingen alle entreegeld. Tegen het eind van het optreden aldaar kregen we al het idee dat het een beetje onrustig was achter in de zaal. Maar goed, het was het laatste nummer en in het donker konden we op die afstand niet goed onderscheiden wat er zich precies afspeelde, dus na het slotakkoord verdwenen we gewoon, nietsvermoedend, naar de kleedkamer achter het podium. Nog geen vijf tellen later sloeg de kleedkamerdeur met een klap open en stormde onze manager, toen nog steeds Frits, naar binnen. "Ze willen me vermoorden, ze willen me vermoorden!" riep hij hijgend uit waarna hij de deur dichtkwakte, deze meteen maar even stevig vergrendelend. Wij waren met stomheid geslagen. Wat was er aan de hand? Een minuut later kwamen twee roadies (wij noemden ze in verband met hun treffende fysieke gelijkenis Starsky en Hutch) via het podium de kleedkamer binnen rollen: de een met een flinke pluk haar uit zijn hoofd gerukt en de ander zo te zien lichamelijk ongedeerd maar geestelijk behoorlijk aangeslagen. Wat kon hier in 's hemelsnaam gebeurd zijn?

 

Het werd ons snel duidelijk. Vlak na het begin van het optreden waren er enkele 'gasten' bij de kassa aangekomen, met de mededeling dat zij er gratis in wilden. Dat leek onze kassier (Hutch dus) toevallig geen goed plan: als iedereen dat mocht, zo legde hij uit, moesten we namelijk geld meebrengen om het volk alhier te kunnen vermaken. Nee, dus, gewoon betalen, als u het niet erg vindt, dankuwel. De woordvoerder van het drietal informeerde nog even of Hutch dat wel zeker wist, maar die wist dat absoluut. Daarop vertrok de man, nog iets roepend van "ik kom terug en neem straks wel even een paar vrienden mee", of woorden van gelijke strekking. Helaas, hij hield woord, en hij bleek meer vrienden te hebben dan iemand van ons had kunnen bevroeden: een uur of zo later, het concert was inmiddels bijna afgelopen, stond er een mannetje of twintig voor de deur die allemaal van mening waren dat ze er gratis in mochten. Toen Hutch hen wilde tegenhouden, ontstond er tijdens ons laatste nummer een klein handgemeen, dat vervolgens volledig uit de hand liep. Dat het concert inmiddels was afgelopen, was een nieuwe tegenvaller voor onze ongenode gasten, maar daar hadden zij wel een oplossing voor: ze eisten namelijk gewoon dat we nog wat zouden spelen.

 

Zo was er een status quo ontstaan: wij konden niet weg uit de kleedkamer zonder gevaar voor lijf en leden en de gasten vertikten het om te vertrekken als wij niet zouden spelen. Achter de gebarricadeerde deur stond de zaaleigenaar, die noodgedwongen de positie van onderhandelaar op zich had genomen. Anderhalf uur lang gebeurde er feitelijk niets, maar het begon allemaal toch uiterst vervelend te worden en het zag er niet naar uit dat de zaaleigenaar een oplossing kon forceren. Uiteindelijk werd de politie gebeld omdat we er vermoedelijk de volgende ochtend nog hadden gezeten. Onder politie-escorte werden we tenslotte het dorp uitgeleid en bereikten wij, nog lichtelijk na-bibberend, de snelweg op weg naar huis.

 

Het ging er gelukkig niet zo heel vaak wat minder fris aan toe, maar een twijfelachtig hoogtepunt in dat opzicht was toch een optreden in Mijdrecht, eind jaren zeventig. De plaatselijke motorclub had besloten dat ze Kayak die avond met een bezoekje zouden vereren. Er moest wel heel erg weinig gebeuren in Mijdrecht, dat ze hun vrije tijd op die manier wilden opofferen, dachten wij. Hoe dan ook, meestal is het podium bij een concert de meest interessante plek, maar die avond in Mijdrecht was dat beslist de zaal zelf: de motorclub had zich vlak voor het podium geposteerd, en maakte het zich daar gemakkelijk. Achter hen had de rest van het publiek voor de zekerheid een twintigtal meters vrijgelaten en bleef achterin de zaal hangen. De voorste rand van het podium deed dienst als extra bar, waar de clubleden heel handig hun biertjes konden neerzetten. Bovendien had een aantal van hen onze lichtinstallatie ontdekt: die kon, zo bleek, namelijk ook prima fungeren als kapstok voor hun jassen en helmen. Natuurlijk, meneer de motormeneer, gaat uw gang, hangt u daar maar op! Met dit merkwaardige uitzicht begonnen we aan ons concert. Veel grote problemen leverde de motorclub verder niet op, behalve dat de sfeer in de zaal toch wat ongemakkelijk was. Het aardigste was echter dat het gezelschap onze avond en deze plek had uitgezocht voor een ontroerend verbroederingsritueel: plotseling zagen wij vlak voor ons de kring zich verkleinen en daarna een glas met daarin een sterk op urine gelijkende vloeistof rondgaan onder de leden. Of het echt pis was of gewoon verschaald bier, ik weet het niet 100% zeker. Maar we moesten toch even slikken.

 

Een optreden dat volslagen onverwachts geheel uit de hand liep vond plaats in Heerenveen, ook zo rond 1980. We speelden in de oude Thialf-hal, en het publiek zat of stond, net als in Mijdrecht, onhandig ver weg- alleen dit keer zonder motorclub ertussen. Om de een of andere reden hadden de bezoekers plaatsgenomen achterin de hal, zodat er zeker 50 meter tussen band en publiek zat. Dat had ook duidelijk gevolgen voor de stemming: die kwam er maar niet in, daarvoor was de afstand eenvoudigweg te groot. Om wat meer sfeer te krijgen, riep Edward de bezoekers vrolijk op, om vooral naar het podium te komen. Dat had onvoorziene gevolgen. De toeschouwers stormden na deze oproep haast als één man naar voren, maar daar bleef het niet bij: de poging van Edward om het publiek wat dichterbij te krijgen, werd door velen beschouwd als een uitnodiging om niet naar maar zelfs OP het podium te komen. Hoe het kon gebeuren, heeft niemand ooit begrepen, maar plotseling dansten zeker twintig man op het podium tussen de verbouwereerde bandleden door, waarbij het enthousiasme van sommige fans zodanig de overhand kreeg, dat allerhande onverstaanbaarheid via de beschikbare microfoons de zaal in werd geschreeuwd. Dit was natuurlijk niet de bedoeling. Ik meen me te herinneren dat we gewoon maar gestopt zijn met het optreden. Dit kwam niet meer goed.

 

Tot slot het relaas over een concert in Noordwijk. De avond zelf verliep nogal lauw en braafjes. Het was in de tijd (1975) dat er nog een drumsolo in het repertoire zat. Het was Pim's beurt, en de rest van de band trok zich aan de zijkant van het podium terug. Pim was nog maar net begonnen toen er vanuit de coulissen een ons onbekende man het podium op rende, die met zijn armen voor Pim ging staan zwaaien terwijl hij luid schreeuwde dat er gestopt moest worden. Op zich al een merkwaardige situatie, maar dat was nog niet alles: de man in kwestie was gekleed in OCHTENDJAS. Pim toonde op dat moment een zowel ongelooflijke tegenwoordigheid van geest alswel een voor hem ongebruikelijke strijdlustige reactie: hij stond, ogenschijnlijk doodkalm, op van zijn drumkrukje, keek de zwaaiende ochtendjas strak maar vastbesloten in de ogen, en deelde vervolgens een voltreffer uit (met een soort unieke duw-stoot die vermoedelijk alleen drummers beheersen) die de man recht in de armen van een daarachter staand lid van onze crew deed belanden (Jos, voor intimi). Als ik niet beter had geweten, had ik gedacht dat hier een goed gerepeteerde saloon-gevechtsscene uit een wild west film werd uitgevoerd. De man werd daarna rustig naar buiten afgevoerd door onze crew, Pim vervolgde zijn drumsolo alsof er niets gebeurd was en we hebben daarna nooit meer iets van hem vernomen.

 

Maar waar ging dit over? Was het een ontsnapte gek? Iemand die iets had tegen drumsolo's? De zaaleigenaar liet ons na afloop desgevraagd weten dat de ochtendjas een al jaren boze buurman betrof, die geklaagd had over de geluidsoverlast die hij altijd ondervond van de in die zaal spelende bandjes. Het Kayak concert had de druppel bij hem doen overlopen, hij was- zo denken wij- uit zijn bed gekomen en had op de een of andere manier ongezien het podium weten te bereiken, en gepoogd op deze unieke wijze de band tot stilte te manen. De rest van het optreden, het spreekt bijna vanzelf, konden we geen kwaad meer doen bij het publiek. We hebben naar aanleiding van de publieksreactie zelfs nog even overwogen om de ochtendjas in te huren voor de rest van de tour. Succes gegarandeerd.

 

Om kort te gaan, zo'n band is leuk- maar de muziek is eigenlijk toch bijzaak!


Ton