See See The Sun

 

Sel je eens voor: je bent een jong, beginnend en enthousiast bandje in het begin van de jaren zeventig en krijgt van een echte grote platenmaatschappij de kans om een hele ELPEE op te nemen in een heuse geluidsstudio, met een producer, een technicus en een heleboel sporen! Je bent in gedachten klaar om de wereld te veroveren met je muziek, de maatschappij wil je daar graag bij helpen en dat komt goed uit, want je was toch al van plan om het ouderlijk huis te verlaten (althans, de meesten van ons). Je loopt een manager tegen het lijf die er verstand van lijkt te hebben (want hij was immers ook de manager geweest van het illustere duo Natasja en Emile, die zich in ooit een tv-talentenjacht van de AVRO ruim een kwartier lang nationale beroemdheden hadden mogen wanen) en daartoe zelfs een eigen bedrijf had opgericht (Hatafa International Management – de naam was afkomstig van een door hem opgekochte lege bv, de zogenaamde Haagsche Tassen Fabriek). Kortom: wat kon er nog fout gaan?

 

Een heleboel, zo zou later blijken. Hoe dan ook, de eerste tv-verschijning van Kayak (nog voor de eerste elpee-opnames dus) was tijdens het programma ‘Popzien’, destijds mede gepresenteerd door Eddy Ouwens, heden ten dage nog voornamelijk bekend wegens zijn onsterfelijke ‘I remember Elvis Presley’. Om het mysterie rondom Kayak te verhogen (ideetje van de manager) werden we volslagen onherkenbaar in beeld gebracht, hetgeen bereikt werd door een vloeistofprojectie op ons los te laten. Bubbels en water, al dan niet gekleurd, zorgden voor het gewenste resultaat: er stond weliswaar een band een oerversie van ‘Mammoth’ te playbacken op een podium in theater Bellevue te Amsterdam, maar dat had ieder willekeurig stel voorbijgangers kunnen zijn. Deze merkwaardige tactiek werd ook doorgevoerd op de eerste promofoto: de bandleden werden op de rug gefotografeerd op het winderige strand van Scheveningen (waar Hatafa International in de buurt kantoor hield), waarbij ieder van ons een letter van de groepsnaam op zijn jas kreeg gespeld. Het kwam dus goed uit dat Kayak zowel uit vijf letters als vijf groepsleden bestond.

 

De eerste elpee dus. Voor de jongere lezer: een elpee was een uit zwart vinyl vervaardigde soort grote cd. Er paste ongeveer drie kwartier muziek op, een klein half uur minder dan tegenwoordig dus op een normale cd. Onze elpee werd niet in één keer opgenomen. Gedurende 1972 en 1973 gingen we af en toe de studio in (de inmiddels niet meer bestaande Intertone Studio’s te Heemstede), om onder leiding van producer Gerrit-Jan Leenders en technicus Pierre Geoffroy Chateau wat nummers voor het nageslacht te vereeuwigen. Uiteindelijk resulteerde dat in een twaalftal werkjes, waarmee Pim Koopman, Gerrit-Jan, Pierre en ik naar Engeland togen om die in drie dagen in de wereldberoemde Londense Abbey Road Studio’s te mixen. De dienstdoende technicus heette Alan Parsons, die zojuist wat Pink Floyd-opnames had afgerond, en de Beatles nog van dichtbij had meegemaakt. Hij heeft dus ook nog met ons mogen werken! ;-)

 

We bevonden ons ongeveer in het Walhalla van de popmuziek. Het trof ons daarom des te meer, dat er een nogal klinische, kantoorachtige sfeer heerste. Niets wees erop dat hier zo ongeveer de meest invloedrijke en populaire muziek was opgenomen van de laatste honderd jaar: het had, buiten de opnameruimtes zelf, evengoed een laboratorium kunnen zijn, of een belastingkantoor, of een ziekenhuis. Ook de werkwijze van Alan c.s. bevreemdde ons soms. Om half vier werd er bijvoorbeeld abrupt gestopt. Wij vroegen ons al af of er iets ernstigs aan de hand was, maar nee: het bleek gewoon theepauze! En dat is nu eenmaal heilig in Engeland: al vergaat de wereld, kom niet aan de ‘tea break’. Alan verdween naar de kantine, en wij dus ook maar. Om kwart over vier begonnen we weer – althans, zo leek het. Alan zat rustig te wachten achter de mixer, maar drukte om de een of andere reden maar niet op ‘play’. Na enkele minuten werd duidelijk waarom: voor die taak was namelijk een speciaal iemand ingehuurd, en die was er gewoon nog niet. Deze jongeman, de zogenaamde ‘tape operator’ (meestal een leerling of manusje van alles die het vak graag wilde leren), was degene die de recorder bediende, en Alan moest daar uit naam van de Britse vakbond met zijn vingers van afblijven! Het zal nu ongetwijfeld anders gaan, maar het was typisch voor de Engelse werkverhoudingen – in ieder geval kwam het zo op ons over.

 

Het opnemen van de nummers was voor ons een ontdekkingsreis door een gigantische speelgoedwinkel. Wel 16 sporen die we vol konden proppen! Echo’s, galm, het kon niet op. We experimenteerden er dan ook lustig op los, en vooral beleefden we veel pret aan het zogenaamde ‘dubbelen’ (het meermalen opnemen van hetzelfde instrument, of in ons geval meestal zang, waardoor het geluid breder en voller wordt). In het bijzonder bleek dit dubbelen goed te werken op de toch nogal snijbranderachtige zang van Max Werner.

 

Een al eerder door mij vertelde studioanekdote gaat over het draaiorgel van Gijsbert Perlee (de Flamingo), dat we gebruikten voor ‘Mammoth’ (ideetje van Gerrit-Jan). Het instrument (of moet ik vervoermiddel zeggen?) kwam door de hoogte ervan niet door de studiodeuren en werd dus noodgedwongen op straat geparkeerd. Microfoons ervoor, en Gijsbert maar draaien. Af en toe een passerende auto, wat vogels die lustig meekwetterden: doedeledoep-diedoe, doedeledoep-diedoe! Een handicap was wel dat zo’n draaiorgel (toen nog niet elektrisch aangedreven) pas na een seconde of tien op de juiste snelheid liep. Het inzetten na het ‘aftellen’ was dus een wilde gok. Ook de vereiste toonhoogte werd niet altijd tijdig bereikt, hetgeen duidelijk waarneembaar is bij de uiteindelijke mix. Het slechts enkele maten durende stukje telt minstens tien knippen, om het resultaat enigszins aanvaardbaar te krijgen.

 

We logeerden tijdens de opnames als groep een paar keer in Hotel Bouwes in Zandvoort. Ik hoef hier niet uit te leggen dat er van slapen meestal weinig kwam: we hadden inmiddels gehoord hoe een rockband zich dient te gedragen in hotels, en dat leek ons ook wel wat. Vergeleken met ervarener, buitenlandse collega’s die er niet voor terugdeinsden hele hotels te renoveren, was het natuurlijk weinig meer dan een wat ballorig vakantietripje, maar toch. Toen werden ook de eerste contouren van het extreme karakter van de manager Frits Hirschland duidelijk – op twaalf hoog balanceerde hij plotseling op de rand van het balkon (nog zonder vangnet) om aan te tonen dat je echt niet altijd gewoon maar via die saaie gang hoefde te gaan als je naar een andere kamer wilde: het kon immers ook buitenom! Onze carrière had er vast heel anders uitgezien als hij toen niet alleen zijn verstand maar tevens zijn evenwicht had verloren. Ook leerden we toen het effect van een rauwe biefstuk in bed, en dat van een zevenklapper die uitbundig in werking treedt bij het openen van de kamerdeur. We hebben Frits één keer rustig gekregen: Bouwes had de kamers voorzien van een extra logeerbed, dat dubbelklapt wanneer de haakjes halverwege worden losgemaakt. Heel handig bij ruimtegebrek, of bij lastige managers: wanneer de vering op het juiste moment geactiveerd wordt, komen ze er namelijk nooit meer zelfstandig uit. Soms besprong me achteraf de gedachte dat we hem daar misschien beter in hadden kunnen laten zitten, maar ja.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Werd het nog wat, met die elpee? Jazeker. Tot op de dag van vandaag zijn er mensen die het onze beste plaat tot nu toe vinden. Men moet ze maar in die waan laten. Het is, wat mij betreft, zeker een originele plaat geworden, met een aantal goede ideeën, en af en toe ook best indrukwekkend uitgewerkt. De basis van Kayak kun je hier terugvinden, en ook ons grote voorbeeld van toen, de groep Yes, steekt hier en daar natuurlijk de kop op. Het is zo’n plaat die je maar één keer kan maken: de eerste keer. Soms is het een beetje een kind met een waterhoofd, hier en daar hebben we ook regelmatig het wiel uitgevonden, en is-ie verre van evenwichtig. Maar dat maakt zo’n plaat natuurlijk wel charmant, en vooral naïef. Dat kan de reden zijn van de populariteit van ‘See See the Sun’. Maar qua vakmanschap wat betreft songschrijven, spelen en arrangeren moesten we nog veel leren. We waren gemiddeld 20 jaar oud, en dat is meestal niet de leeftijd waarop ‘kunstenaars’ (als we onszelf daar even toe mogen rekenen) hun creatieve piek hebben (tenzij ze doodgaan als ze 21 zijn natuurlijk). Het zou jammer en toch ook vreemd zijn als we in de 35 jaar daarna alleen maar MINDERE muziek zouden hebben gemaakt. Maar, ieder zijn mening. En op zich kan ik me vinden in de veronderstelling, dat hoe meer vakmanschap er is, hoe minder ruimte er overblijft voor spontaniteit. Als het goed is, wordt dat verlies echter ruimschoots gecompenseerd door de diepte die er na verloop van tijd in de muziek en de teksten komt.

 

Het was. denk ik, wel een creatief album: al onze muzikale ambities van jarenlang ‘sparen’ wilden we hier in één keer kwijt. Het gevoel van: nu moet het gebeuren (in het bijzonder bij het opnemen van de basis drums/bas/piano, waarmee we meestal begonnen), geeft ook een bepaalde spanning. De knip- en plakmogelijkheden van die dagen waren absoluut primitief vergeleken met de huidige computerflexibiliteit, waarin alles ge- en verknipt, gemaskeerd en ‘geholpen’ kan worden, maar dat gaf juist iets extra’s: het unieke moment van dat ene nummer. Ik vergeet ook nooit wat het met je doet, als er (zoals bij ‘Lyrics’) ineens ‘echte’ strijkers meespelen, en dat de nootjes die je hebt opgeschreven door echte mensen gespeeld kunnen worden, en dat dat dan ook ongeveer zo klinkt als je in je hoofd had. En dat waren er nog maar drie! (Uiteindelijk negen dus, twee keer gedubbeld.) Hiermee wil ik meteen het destijds wijdverbreide misverstand uit de wereld helpen dat Kayak een conservatoriumgroep was met studentjes die ook eens een rockband wilden nadoen. De helft van ons kon überhaupt geen noot lezen zo groot als een huis, en we schreven eigenlijk alleen iets op voor muzikanten buiten de groep (zoals inderdaad die strijkers). Los daarvan heb ik nooit het nadeel gezien van het kunnen noten lezen. Het schijnt niet zo rock-'n-roll te zijn geweest, destijds. ‘Street credibility’, of zoiets. Zo, dat is er uit.

 

Over de zang valt ook nog wel zo het een en ander te vertellen. Max Werner, die – zo zouden we later merken – leadzanger was geworden bij Kayak tegen wil en dank, had (heeft) natuurlijk een bijzonder apart stemgeluid. Zijn stem was daarom ook sterk bepalend voor de zogenaamde Kayaksound van die tijd, wat dat dan ook geweest moge zijn. Dat zorgde er ook voor dat daarom juist veel mensen afhaakten, maar wat je er ook van vond: het was in ieder geval uiterst herkenbaar. Hij had echter de pech dat de nummers zelden of nooit werden aangepast aan zijn stembereik. Ik schreef mijn muziek thuis achter de piano, en zong daarbij de melodie die ik bedacht had. Mijn stembereik was echter zo’n vier tonen lager dan dat van Max, met het gevolg dat wat voor mij hoog was, voor Max nog lang geen probleem was. Als ik dus in mijn middenregister zong, klonk Max veel krachtelozer omdat het voor hem eigenlijk wat te laag was, zodat we zijn partij een hele octaaf hoger gingen zetten. Dat was soms weer net te veel van het goede, maar ja: de band was al opgenomen, dus er zat niets anders op voor Max om op bepaalde onhaalbare hoogtes over te gaan naar zijn zogenaamde kopstem. Onbedoeld (wegens onze onervarenheid) werd dat nu juist weer een heel herkenbare manier van zingen. Later (met ‘Close to the Fire’) klonk Max' stem lager en voller. Dat komt – behalve door de leeftijd – vooral omdat we hem (eindelijk heel verstandig) dingen lieten zingen die wel binnen zijn bereik lagen.

 

Het duurde ook vaak wel een paar uur voordat de zang er goed opstond: Max bleek in de studio een nogal lange ‘inzing’-tijd nodig te hebben. Na veel gehoest, geschraap en gerochel (er moet nog ergens een tape zijn met opnames van circa drie kwartier longinhoud) kwam dan ook pas na een tijdje zijn eigen stem naar boven. Of dat nu kwam omdat hij flink rookte, ik heb het nooit geweten, maar soms leek het bij het inzingen alsof zijn laatste uurtje had geslagen. Wellicht wilde Max ons op die manier laten weten dat hij eigenlijk geen zanger was, geen idee. Live had hij daar merkwaardig genoeg geen last van, terwijl ik hem nimmer ook maar één noot heb horen inzingen voordat we het podium opgingen, dus het publiek is die hoestpartijen in ieder geval bespaard gebleven. Overigens, als die zang er dan ook eenmaal opstond, en we gingen ‘dubbelen’, dan deed Max dat op onnavolgbare wijze: zo precies gelijk met zijn eerste partij dat we af en toe niet eens hoorden of het er wel twee waren.

 

Op de hoes van ‘See See the Sun’ staat hij met de bijzondere naam ‘Werlerofzoiets’ vermeld. (Of had ik dat al eens verteld?) Die nogal slavisch klinkende verbastering van Werner (zijn echte naam dus) was ontstaan door een interview, waarin de vragensteller de naam van Max niet goed had verstaan. “Werler?” vroeg deze dus voor de zekerheid nog maar eens, waarop Max enigszins afwezig antwoordde: “Werler, of zoiets, ja.” Vanaf dat moment was dat zijn achternaam, en om de een of andere reden leek het ons toen wel leuk die verhaspeling als zodanig op de hoes te vermelden.

Een bijzonder instrument, dat toen nog heel bepalend was voor onze muzikale benadering en dus ook op ‘See See the Sun’ voorkomt, was de mellotron. Inmiddels is dit – hoe mooi en apart ook – een uiterst gedateerd geluid geworden, maar toen maakte iedere band die ook maar enigszins orkestraal wilde klinken, daar graag gebruik van.

 

In Nederland was dat natuurlijk Earth & Fire, in het buitenland stonden de Moody Blues bekend om hun mellotronklanken. Het principe van de mellotron is een aantal voorbespeelde geluidsbanden (bijvoorbeeld een fluit, of strijkers), die geactiveerd konden worden door het indrukken van de toetsen. Het nadeel was dat die bandjes slechts acht tellen duurden: daarna moest je de toets loslaten om het bandje te laten terugspoelen. Dat vereist een bijzondere techniek. Een ander minpuntje was de grote kwetsbaarheid en instabiliteit van het apparaat. Op festivals met vaak gebrekkige stroomvoorziening en veel wind (want buiten) was het ding niet goed bruikbaar: één toon ging nog wel, maar bij drie tonen tegelijk (noodzakelijk bij het voortbrengen van akkoorden) liet de voeding het regelmatig afweten en begon het gevaarte angstaanjagend te janken. Wij hadden er op zeker moment twee: één met strijkers, fluit en cello, en de tweede met allerlei blazers. Op ‘See see the Sun’ kun je de stoffige, wat melancholieke mellotronsound goed horen op bijvoorbeeld ‘Lovely Luna’, het intro van ‘See See the Sun’, op ‘Mammoth’, en ‘Forever is a Lonely Thought’.

 

De eerste en de tweede single die van ‘See See the Sun’ afkomstig waren, ‘Lyrics’ en ‘Mammoth’, belandden beide in de top 20. De naam van de door maatschappij en manager gezamenlijk tot nieuwe superband uitgeroepen groep werd dus al snel gevestigd, en het aantal optredens nam vervolgens hand over hand toe. Dat we in die begintijd onze eigen kersverse roem niet helemaal konden bijbenen, en dat de manager meer publiciteit wist te halen dan de band zelf, hadden we op dat moment nog niet in de gaten. Er werd een peperdure PA-installatie aangeschaft, die volgens de manager na acht jaar nog niet afbetaald was (wat wij nog geloofden ook). Het bejubelde contract met de platenmaatschappij stelde de bandleden helaas amper in staat de huur te betalen, en een aantal van ons bleef dan ook nog vrolijk maar noodgedwongen thuis wonen (nou ja, wonen – we hadden het zo druk dat daar weinig sprake van was. We kwamen wel eens langs om te eten). Jaren later werd duidelijk dat het daar al is misgegaan en dat de financiële strop al in die periode zachtjes en onmerkbaar rond onze nek werd gelegd. De manager had volledige controle (dachten we), en wij waren al lang blij dat we zo vaak konden spelen. Het zou dan vanzelf wel goed komen! Helaas. Dat het begrip ‘controle’ en de persoonlijkheid van onze manager domweg onverenigbaar waren, bleek een paar jaar later.

 

De derde single, ‘See See the Sun’, deed het minder, en bleef eerloos steken in de tipparade. Het was, gezien de muziekstijl, op zich al een wonder dat die eerste twee nummers het wel hadden gehaald, dus echt raar was het niet dat een dergelijk mooi, maar eigenlijk volslagen ontoegankelijk liedje niet zover kwam. Het maakte niet veel uit: het eerste ‘echte’ jaar van ons bestaan, 1973, was uitermate geslaagd. Onze droom leek werkelijkheid te worden: we speelden onze eigen muziek, en hadden daar nog aardig succes mee ook.

 

Niet dat iedere zaaleigenaar begreep overigens wat voor soort band ze in huis haalden. Door de publiciteit leken we namelijk een veel ‘commerciëlere’ band dan we in feite waren. Zo herinner ik me een optreden ergens in Zuid-Limburg, waar we, terwijl de apparatuur zou worden opgebouwd, in de plaatselijke snackbar van ons diner genoten. Terwijl we de kleffe hap nuttigen, kwam er een busje voorbijrijden dat was uitgerust met een megafoon, waardoor de schetterende, in degelijk Limburgs uitgevoerde mededeling klonk: “Vanavond dansen met Kayak! Vanavond dansen met Kayak!” Bij de zaal aangekomen bleek de toch wel noodzakelijke stroomvoorziening volledig afwezig. Ik meen, dat de technische crew de elektra uit een lantaarnpaal heeft moeten halen. En veel gedanst werd er niet, die avond.

 

Zo speelden we ook eens in Groningen. In het aangrenzend etablissement vond een trouwerij plaats. Tijdens de onvermijdelijke drumsolo verdwenen de andere groepsleden meestal van het podium, zo ook ik. Terwijl ik op de gang Pim in de gaten hield, werd ik aan mijn jasje getrokken en riep een man iets onverstaanbaars (de combinatie lawaai en plat-Gronings is een lastige) in mijn oor. Na drie keer herhalen werd me duidelijk wat hij wilde: wanneer ik eens kon beginnen met spelen bij het trouwfeest, ik was toch de pianist, zo had hij begrepen, en men zat kennelijk te wachten. Het zal niemand verbazen dat we eerst toch maar het optreden hebben afgemaakt en dat het huwelijk verder zonder mij heeft plaatsgevonden.

 

Een ander memorabel optreden, dat jaar, was een tv-playbackshow in België, in de buurt van het plaatsje Geraardsbergen, dat velen wel licht kennen wegens de beruchte ‘muur’ – een door professionele wielrenners gehaat obstakel in de vorm van een meedogenloze beklimming. We deden daar ‘Lyrics’, of ‘Mammoth’, geloof ik, en op de lijst van optredende collega’s prijkten de namen van een zekere Benny, Björn, Anna en Anne-Frida. Inderdaad: ABBA (dat toen nog net niet zo heette en het Songfestival nog moest winnen met ‘Waterloo’)! Ton, Pim, Johan, Max en Cees hebben dus ooit de ‘kleedkamers’ (nou ja, een vijftal in de gauwigheid opgetrokken plastic douchecabines met dito gordijntje ervoor, gesitueerd in een oude schuur) gedeeld met deze beroemde Zweedse groep... en niet alleen met hen, trouwens. Op dat moment stond het duo Greenfield & Cook nummer 1 in Nederland, en ook zij waren van de playback-partij. Max Werner was niet geheel op de hoogte van deze voor hen uiterst prettige situatie, en ik heb hem dan ook argeloos in het voorbijgaan aan de twee verbijsterde sterren horen vragen of zij misschien ook iets in de muziek deden.

 

Tot slot denk ik nog even terug aan het toen jaarlijks terugkerende evenement De Nacht van het Hart in de Rotterdamse Ahoy. Onze gewaardeerde collega’s die avond waren Imca Marina, Ben Cramer, Vader Abraham, de Rekels, en zo nog wat muzikale kanjers. Het mag duidelijk zijn, we waren als Kayak volledig op onze plek daar. Nooit vergeet ik meer de aanblik van het publiek, dat zich verschrikt ‘en masse’ afwendde (terugdeinsde, is toepasselijker) tijdens onze drie liedjes. Geen M.E. met waterkanonnen had de toeschouwers sneller weg kunnen krijgen dan wij. We hoorden na het optreden dat het afschuwelijk moest hebben geklonken: alle artiesten hadden half of geheel geplaybackt, en de geluids-installatie was voor ons – als enige live spelende band – volslagen ontoereikend. De dienstdoende techneut moet gemeend hebben dat een totaal vervormd, transistorradio-achtig geluid dan wel misschien niet zo mooi, maar dan in ieder geval wel hard genoeg was om het publiek te bereiken. Het moet gezegd, het was wel het soort publiek dat zelfs met het mooiste geluid ter wereld waarschijnlijk nog een pilsje was gaan pakken tijdens onze muziek.

 

Kortom, wat je het beste bijblijft uit je carrière zijn die momenten die afwijken van het ‘normale’ patroon (wat dus in het kader van onze carriere gelukkig wel het normale patroon was). Als je vertelt over het verleden, is het leuker om het hierover te hebben dan over die 4 of 5 toegiften in Herejezusveen of dat muzikaal zo geslaagde concert in Lutjebroek. Dat is niet interessant als je er niet bij was, en het interesseert ook niemand echt. Het is een raar fenomeen: je doet er jarenlang alles aan om je vaktechnisch te perfectioneren, oefent je suf, geeft een vermogen uit aan apparatuur en instrumenten, en waar heb je het later over? Inderdaad... 

 

Ton