The Last Encore

 

We hebben het inmiddels al gehad over allerlei albums: ‘See See the Sun’, ‘Kayak’, ‘Royal Bed Bouncer’ en ‘Phantom of the Night’. Het leek me nu wel eens aardig om ‘The Last Encore'’wat nader te belichten.

 

Het meest bijzondere aan TLE is voor ons eigenlijk – los van de nummers – dat-ie in België is opgenomen, om precies te zijn in de toen befaamde Morgan Studios te Brussel. Wij waren nooit verder gekomen dan de EMI-Intertone Studio’s te Heemstede. Waarom we in Brussel zaten, geen idee, wellicht kan Pim ons met zijn betere geheugen daar ooit eens wat meer over vertellen, maar misschien wilde Phonogram hun zojuist verworven topgroep eens verwennen met een dure productie.

 

De opnames hebben in totaal zo’n zes weken in beslag genomen. Twee weken voor de basistracks, twee voor de dubs en twee voor het mixen. De techniek was – voor het grootste deel – in handen van engineer Alan Ward, bij het intro van ‘Love of a Victim’ te horen met zijn vanuit de controlekamer luidkeels geroepen aanmoediging: ‘All right lads, give us an earful’.

 

Overigens, twee weken de tijd nemen voor twaalf basistracks is tegenwoordig voor de gemiddelde band ondenkbaar. Maar dat was nog wel in de periode dat we rustig drie dagen besteedden aan alleen het snaretrommelgeluid van Pim. ‘Pok, pok’, nee even een ander vel proberen. ‘Pok, pok’ ... toch maar een andere stok: ‘pok, pok, pok’. Dat engineer Alan Ward, die bovendien bijna niet sliep vanwege een huilbaby thuis, niet stapelkrankzinnig is geworden van ons, is haast onbegrijpelijk.

 

Maar ja, wij hadden natuurlijk ook gehoord hoe lang sommige groepen over hun opnames deden, dus konden wij moeilijk achterblijven. Je bent een topgroep of niet! Dat je na drie uur absoluut niet meer hoort of iets wel (‘pok?’) of niet (‘pok!’) goed klinkt, speelde daarbij geen enkele rol.

 

Aan deze productie kleven vele herinneringen waarvan de meeste wat mij betreft zoals gewoonlijk weinig met de muziek op het album te maken hebben. Zo heb ik een groot deel van de opnames zelf ook niet erg bewust meegemaakt. Mijn hoofd stond op dat moment naar trouwen en verhuizen, hetgeen – fijne timing – in diezelfde zomer van 1976 was gepland.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik herinner me die periode dan ook voornamelijk als een tijd van veel heen en weer rijden in mijn oude, afgeragde blauwe Simca 1000 tussen Nederland en Belgie. De Belgische rijkspolitie was kennelijk ook van mening dat mijn voiture zijn beste tijd had gehad, want ik werd op een van mijn tripjes ergens tussen Brussel en Antwerpen zonder pardon van de weg gehaald. Eén van de agenten liep eens onderzoekend om mijn autootje heen, overlegde vervolgens met zijn collega, waarna ik vriendelijk doch dringend verzocht werd plaats te nemen in het politiebusje. De agent zette zich tegenover mij op de andere bank, pakte rustig pen en blocnote, en begon te schrijven. Na een tijdje draaide hij het resultaat naar mij toe om, en ik las: ‘Hierbij verklaar ik, Ton Scherpenzeel (met datum en persoonlijke details), dat ik, de volgende keer dat ik in Belgie kom, mijn linkerachterband heb verwisseld.’ Ik verzin hier geen woord van. Ik had dus straffeloos mijn linkerachterband rechtsvoor kunnen monteren en vice versa. Dat mijn rechterachterlicht het niet deed, was de agent niet eens opgevallen. Ik ondertekende maar wat graag, en mocht vervolgens zonder enige bekeuring vrolijk doorrijden naar huis.

 

Men zal begrijpen, die band heeft er nog maanden opgezeten. De politie is je beste kameraad! Ook bassist Bert Veldkamp is er ooit genadig afgekomen door een slordigheidje van de Belgische hermandad: hij was, na door rood te zijn gereden, al twijfelend tot stilstand gekomen en kon niet meer op gang komen – midden op het kruispunt. Niet handig, en hij werd dan ook prompt aangehouden. Helaas bleek zijn doopnaam op het proces-verbaal (Lubertus in plaats van Lubbertus) verkeerd gespeld en ging de bekeuring niet door.

 

Hotel de Cascade was ook een verhaal apart. Als heuse rockband werd je natuurlijk geacht de hotelkamers niet geheel onberoerd te laten. Bij ons bleef het voornamelijk bij lawaaiige, maar uiteindelijk tamelijk onschuldige kussengevechten, maar die kussens belandden wel regelmatig via de openstaande ramen op straat, hetgeen uiteraard voor grote hilariteit onder mijn opgewonden collega’s zorgde. Even later werden we gebeld door een zorgelijke dienstdoende receptionist, wiens fluisterende toon ons al eerder was opgevallen. ‘Pfff... Awel... Kan het misschien zijn dat er bij u vandaan wat kussens naar beneden zijn gevallen?" Dat kon natuurlijk heel goed, maar Hotel de Cascade was gelukkig uiterst coulant tegenover zijn jolige Nederlandse gasten. Met zes weken lang minimaal vier kamers verhuurd mocht dat ook wel, natuurlijk, maar ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat ze blij waren dat we na de opnames opgedonderd waren.

Een subtiele practical joke haalden we uit met Pim Koopman, met wie ik op 1 kamer sliep. Op een avond hadden we zojuist ‘Do You Care’ afgemixt. Eén van ons had een cassettebandje meegenomen uit de studio met dat nummer erop en de cassettespeler heel vernuftig – met dank aan onze chef live geluid Rijn-Peter de Klerk – aangesloten het interne radiosysteem van het hotel. Op een afgesproken moment deed ik vlak voor we zouden gaan slapen de radio in onze kamer aan  —tamelijk verdacht, want dat deden we nooit — waarop ‘toevallig’ de zojuist afgemixte track weerklonk. Nooit vergeet ik het verbouwereerde gezicht van Pim: net gemixt, nu al op de Belgische radio!

 

Kayak had ook zijn minder onschuldige, haast meedogenloze kanten. Bert Veldkamp was net opgehouden met roken, maar werd daarin bepaald niet ontzien door zijn nog wel rokende collega’s: overal in de studio hingen pakjes sigaretten verleidelijk heen en weer te bungelen: in de studio, in de controlekamer, aan de ramen en deuren. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat Bert zijn moedige poging nog geen drie dagen heeft weten vol te houden.

Technicus Alan Ward mocht van ons, o hartelozen, op een avond niet eens naar zijn favoriete band, de Stones, die Brussel aandeden net toen wij daar opnamen. Zo belangrijk vonden we de voortgang van ons werk dat we hem dat pleziertje ontzegden. Alsof dat ene moer uitmaakte – het schoot toch al niet op. Maar, alsnog onze welgemeende excuses, Alan, als je dit leest (ik denk het niet want ik heb hem nooit iets anders dan Engels en Frans horen spreken). Hopelijk ben je daarna ooit nog wel in de gelegenheid geweest ze live te aanschouwen.

 

In het souterrain bevonden zich de galmplaten, die ingeschakeld konden worden vanuit de mengtafel, om zo bepaalde sporen van galm te voorzien. Onze chef geluid live, Rijn-Peter de Klerk, maakte een ‘loop’ van het koorstuk van ‘Nothingness’, dat wil zeggen een stuk tape waarvan begin en eind met elkaar verbonden waren, en dat zichzelf eindeloos herhalend langs de weergavekoppen van een taperecorder spoelde. Dat werd weer teruggekoppeld naar de controlekamer, en via een onverdacht mengtafelkanaal op minimaal volume ten gehore gebracht. Alan Ward kwam ’s ochtends, nog geradbraakt na weer een half doorwaakte nacht, binnen en hoorde dat mysterieuze, bijna angstaanjagende koor in de verte dat we de vorige avond hadden opgenomen, en dacht bijkans dat het spookte in de studio. Wij hoorden natuurlijk niets en begrepen absoluut niet waar hij het over had. Het heeft hem minstens een half uur gekost eer hij in de gaten kreeg waardoor dat spookkoor veroorzaakt werd.

De eeuwigdurende taalstrijd in Belgie was ook merkbaar bij de studio-opnames. Het orkest werkte, zolang er Nederlands gesproken werd, opvallend slecht mee. Zodra er iemand was aangesteld om onze wensen in het Frans te vertalen, liep het meteen een stuk beter. En dat was echt niet omdat de heren musici ons, kaaskoppen, niet konden verstaan.

Het album zelf was niet erg succesvol: we waren dat jaar voor veel geld (zo bleek later bij de belasting) binnengehaald bij Phonogram, maar TLE werd uiteindelijk de minst verkochte van de eerste periode (alleen ‘Eyewitness’ deed het nog slechter), en bevatte ook geen single die ook maar in de buurt kwam van de hitlijsten. Niettemin staan er veel geslaagde nummers op de plaat. Dat ik die zomer met mijn hoofd elders vertoefde, is voor mezelf wel te horen: mijn nummers klinken, op wat uitzonderingen na, bijna nergens echt ‘af’ en echt goed uitgewerkt.

 

Een uitzondering is ‘Nothingness’, met dat oneindige koor en orkestgedeelte. De fluitpartij was echter zo onspeelbaar snel voor de dienstdoende, ingehuurde fluitist, dat we de tape op halve snelheid hebben gedraaid zodat hij het enigszins bij kon benen. Dat leverde nog een onverwacht aardig effect op ook.

 

Grote en nog steeds onbegrijpelijke misser van de plaat is natuurlijk ‘Love Me Tonight/Get on Board’. Het was bedoeld als een soort flashback naar eind jaren veertig met Bing Crosby, alleen hadden we noch het vakmanschap van die tijd in huis, noch de grote Bing zelf, die nu vocaal vertegenwoordigd werd door, jawel, gitarist Johan Slager. De arme Johan heeft zeker acht uur over de twee coupletten zangpartij gedaan (logisch dat het album zes weken in beslag nam).

Vervolgens mocht Bert Veldkamp zijn twee weken saxofoonles in praktijk brengen door het (niet geheel zelf gecomponeerde) uptempostuk op te sieren. Nou ja, we hebben wel erg gelachen, maar hadden het natuurlijk nooit moeten opnemen, laat staan op het album zetten. En al helemaal niet in de buurt van een nummer als ‘Relics from a distant age’. Een grotere tegenstelling is nauwelijks denkbaar.

 

‘The Last Encore’, dat, hoewel de tekst ergens anders over gaat, zijn titel dankt aan een gelijknamig artikel in het in die weken opvallend veel door de groep geraadpleegde tijdschrift Playboy, zou – voorlopig – Pims laatste Kayakalbum worden, maar zijn aandeel is, denk ik, door eerder genoemde oorzaken beduidend geslaagder dan dat van mij. Hij had natuurlijk ook iets goed te maken: op ‘Royal Bed Bouncer’ stond slechts één (instrumentaal) nummer van zijn hand. Maar we horen hier toch al een beetje de producer-in-de-dop, iets wat hij later zou uitbouwen tot een succesvolle carriere bij EMI en verder. Ook Bert Veldkamp zou na deze elpee vertrekken, om later weer terug te keren bij de herstart in 2000.

 

Gelukkig hield Phonogram vertrouwen in Kayak en kregen we ruimschoots de gelegenheid om nieuwe opnames te maken, die uiteindelijk zouden leiden tot onze volgende elpee, ‘Starlight Dancer’. Dat gebeurde in een zeer onstabiele periode van de groep en verdeeld over een flink aantal studio’s. Maar daarover een andere keer.

 

Ton