Veranderingen

 

Een van de grootste veranderingen die de muziekwereld heeft...eh, getroffen, zou ik haast zeggen, de afgelopen decennia, is- de lezer raadt het al-  de onstuitbare opmars van de computer en de daarmee gepaard gaande algehele digitalisering van zo ongeveer de halve wereld. Dan heb ik het niet alleen over de enorme invloed die het probleemloos kopieren van CD's en allerhande legale of illegale downloadpraktijken via internet hebben gehad op bijvoorbeeld de CD-verkoop en dus de inkomsten van de gemiddelde, platenmakende beroepsmuzikant, maar ook op de manier waarop de muziek wordt opgenomen. Als ik vergelijk hoe wij destijds ons eerste album opnamen en hoe onze laatsten tot stand zijn gekomen, dan ligt daartussen niet alleen ruim 38 jaar, maar een enorme wereld van verschil.

 

Het was destijds, opa praat nu over 1972-73, noodzakelijk dat in ieder geval een groot deel van de groep tegelijkertijd aanwezig was in de opnamestudio: de drummer, de bassist en de pianist of gitarist, eventueel de zanger. En die waren er bij ons ook altijd wel, of ze nu nodig waren of niet: niemand liet zich dat 'uitje', want zo werd het studiowerk in het begin ervaren, ontzeggen. De groeps-betrokkenheid was groot en bovendien hadden de meesten van ons weinig andere dringende bezigheden. Veelal had zo'n opnamedag het karakter van een wat lang uitgevallen schoolreisje.

 

Het lukte ook met minder muzikanten dan de genoemde 4, maar dat kon de opnames wel bemoeilijken omdat je vanuit 'niets' moest beginnen: er stond nog niets op de band, dus er moest af- (en waar geen drums waren, door-) geteld worden. Je moest dus weten waar je in het liedje zat. Tweede couplet? Of zijn we al in het derde? Zonder meezingende zanger als referentie was dat af en toe knap lastig en moest je je hoofd erbij houden of alles goed opschrijven. Als je het slim aanpakte, kon je natuurlijk stukken apart opnemen en later aan elkaar plakken, maar dat was nog altijd een erg tijdrovend werk waarbij bovendien ook van alles fout kon gaan. Zo heb ik ooit eens met een andere groep een nummer in drie verschillende delen opgenomen. De technicus had voor de opnames van het tweede deel echter de tapesnelheid een kwart-toon lager gezet (als gevolg van een grapje) maar vervolgens vergeten de knop weer terug te zetten op de normaal-stand. Toen we de uiteindelijke mix met de achteraf aan elkaar geplakte delen terugluisterden, was de overgang van deel 1 naar deel 2 een welhaast bewustzijnsverruimende ervaring. Het heeft even geduurd eer we in de gaten kregen wat er gebeurd moest zijn.

 

Tegenwoordig kun je alles al min of meer voorprogrammeren, en is het een kwestie van later invullen: levende muzikanten in plaats van digitale drums, bas en gitaren die tot op dat moment voornamelijk waren voortgebracht met behulp van de computermuis. Iedere muzikant kan nu zijn partij dus apart opnemen wanneer het schikt: het is niet ongebruikelijk dat verschillende groepsleden elkaar tijdens de opnames van een album niet eens tegenkomen.

De muziek werd destijds op 16, of als je geluk (of geld) had, op wel 24(!) afzonderlijke sporen opgenomen, op een indrukwekkende tape van 2 inch breed. Heden ten dage is in het digitale domein het aantal sporen onbeperkt- hooguit wordt je afgeremd door de rekensnelheid of het beschikbare werkgeheugen van je computer. Er was toen weliswaar al van alles mogelijk- opnames konden over, foute stukjes konden apart 'ingeprikt' worden- maar niet onbeperkt: het inprikken was soms een riskant werkje omdat de kans bestond dat een iets te vroege 'prik' een deel van de vorige, nog wel goede opname weghaalde: de recorder-koppen hadden immers een fractie van een seconde nodig om te functioneren en weer te stoppen- en niet iedere technicus was daar nu eenmaal even bedreven in, zodat er wel eens wat briljants naar de eeuwigheid werd geholpen. Nu kun je op de computer beginnen en stoppen waar je wilt zonder dat je vorige opname in gevaar komt. Het enige risico is dat je harde schijf volraakt- of crasht. En dan maar hopen dat je een back up hebt gemaakt.

 

Een aardig voorbeeld van hoe destijds een half mislukt opname-avontuur toch nog goed kwam is 'Boezem' (later 'Ballad for a Lost Friend'). Op zeker moment in het nummer "verdwijnt" de snaredrum: hij lijkt gewoon een paar maten niet gespeeld, of zo je wilt, vergeten te zijn. Niets is minder waar: Pim had daar echt braaf doorgedrumd. We wilden echter een speciaal effect bereiken, de zogenaamde achterwaartse galm. Deze galm klinkt voordat het eigenlijke signaal hoorbaar is, en dat geeft uiteraard een onwerkelijk effect: stel je voor dat je in een echoput iets roept, maar net voordat het je mond uit komt hoor je de echo al. Op het nummer 'Evocation' (The Last Encore, 1975) is dat effect op de zang goed te horen. Om dat te bereiken moest die zware, kwetsbare tape wel fysiek omgedraaid worden, en moest er letterlijk tegen de oorspronkelijke rijrichting in opgenomen worden op een ernaast liggend opnamespoor. Bij het uittellen van dat spoor (ook dat moest omgekeerd gebeuren, dus van 24 naar 1) verrekende de opnametechnicus zich, drukte op opname en wiste....inderdaad, de snare van Pim. Een paar maten slechts, weliswaar, tot de schrik iedereen om het hart sloeg bij het besef dat er iets mis ging- maar dat was voldoende: we waren het opgenomen stukje voor altijd kwijt. Nu zou het verliezen van de snaredrum geen probleem meer zijn: kopieer en plak en hup, de snare- of een vergelijkbare- staat weer op zijn plaats. Toen hadden we geen keus, overdoen ging niet dus lieten hem gewoon maar weg. Gelukkig pakte dat arrangements-technisch op dat moment verrassend goed uit, maar het bezwete, licht panikerende hoofd van de technicus vergeet ik nooit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wanneer de tape vol was (lees: de sporen opgebruikt, een bij ons veel voorkomend euvel door de uitgebreide arrangementen) kon je opnameruimte 'terugwinnen' door een tussenmix te maken, dwz bepaalde opnames al bijelkaar te zetten op andere sporen. Daarbij kwamen de oude sporen dus vrij. Dat betekende wel dat de onderlinge balans van die oude sporen nooit meer kon worden veranderd. Het was daarom belangrijk dat nauwkeurig te doen en bovendien geen sporen bijelkaar te mixen waarvan de balans bepalend was voor het totale geluid. Dus geen hoge piepende fluit en een lage zoemende bas samen op 1 spoor zetten, dat was bij de eindmix vragen om moeilijkheden.

Met 'Letters from Utopia' hebben we er welbewust ervoor gekozen om bas en drums tegelijk op te nemen, hoewel dat technisch gesproken, ik heb het al uitgelegd, niet echt nodig is. Maar de wisselwerking tussen twee muzikanten die tegelijk spelen en op elkaar letten, en reageren op onverwachte momenten, ontbreekt wanneer iedereen zijn partijtje apart opneemt. En om nog een beetje dat band-gevoel op te roepen, zijn Pim en Jan dus tegelijkertijd de studio ingedoken. Verder hebben we natuurlijk zoveel mogelijk van de voordelen van de computer gebruik gemaakt. Onze gitaristen bijvoorbeeld wonen nogal uit de buurt- althans, uit mijn buurt. Zij hebben hun meeste solo's rustig thuis ingespeeld, en vervolgens het resultaat doorgemaild- soms in verschillende versies, zo van: zie maar wat je leuk vindt. Daarna zetten Pim en ik hun opgestuurde gitaarpartij over naar de master-computer. Niet zo gezellig maar reuze handig- en in deze tijd zonder budgetten en tijd, feitelijk onontkoombaar.

 

De mogelijkheden met de computer zijn eindeloos, maar ook dat is niet altijd een voordeel: juist in het ontbreken van die beperkingen schuilt een gevaar. Het bijstemmen van vals gezongen noten is een grote oplossing voor wat minder trefzekere vocalisten, maar zadelt de technicus cq producer achteraf met veel meer werk op. En een mix, een nummer is eigenlijk nooit 'af'. Beschouw het als een tekstverwerkingsprogramma t.o.v. een ouderwetse typemachine: een woord kan altijd en makkelijk vervangen worden door een ander. Geen typex meer, en geen gedoe met kreukelend papier. Bovendien kan het moeten maken van muzikale keuzes (inherent aan het beperkte aantal sporen van die oude studio's) eeuwig worden uitgesteld omdat er nooit iets hoeft te worden gewist. "Laten we het maar bewaren, misschien gebruiken we het nog, je weet maar nooit," is een veelgehoorde uitspraak. En een vorige versie is altijd weer oproepbaar. Daarom ontbreekt helaas ook de noodzaak van een visie vooraf.

 

Het eindmixen zelf (dus de aparte instrumenten en zangpartijen in de goede volumebalans en frequentiegebieden zetten, om het simpel te zeggen) was helemaal een enerverende aangelegenheid. Soms was het nummer zo ingewikkeld dat er drie, vier man tegelijkertijd bezig waren met het draaien aan knoppen en het schuiven van faders. Na afloop van zo'n mix keek je elkaar half in trance aan en dan riep je 'dat was hem.' Of niet, natuurlijk, afhankelijk van het resultaat. Het behoeft overigens natuurlijk geen betoog dat je beter niet de bassist achter de basknop kon zetten, of de drummer achter die van de drums en ook de gitarist beter niet zijn eigen volume liet bepalen: iedere muzikant heeft nu eenmaal de natuurlijke behoefte zichzelf te willen horen, en zal minder op de totale balans, dan op zijn eigen waarneembaarheid letten. Maar nu? Nu kun je met de muis (o.i.d.) en bijna per nanometer alle details bijstellen, tot je denkt dat het goed is- maar het is een stuk minder spannend en heb je, althans ik, soms meer het idee dat je je administratie aan het bijwerken bent dan met 't mixen van muziek. De ontlading van 'het moment', de mix die het 'is', ontbreekt.

 

Persoonlijk heb ik het mixen altijd het minst leuke onderdeel gevonden van het hele opnameproces (in tegenstelling tot Pim trouwens). Eigenlijk zat het creatieve gedeelte er wel zo'n beetje op nadat alle partijen waren opgenomen, vond ik. Het bedenken, arrangeren en indubben (kortom, de opbouw) kon mij nooit lang genoeg duren, maar vanaf het moment dat dat gedaan was, was mijn ei gelegd en kon het daarna alleen nog maar tegenvallen. Voor Pim begon het dan vaak pas echt. Met LFU heb ik mij voor het eerst niet in levende lijve met de mix bemoeid: geluidstechnicus Nico Outhuijse kreeg van ons ruim van tevoren de benodigde informatie over wat zo'n beetje de bedoeling was, en ging in zijn Leeuwardense studio vrolijk alleen aan de slag. Rustig, in zijn eigen tijd, zonder twee paar priemende ogen in zijn rug die alles wat hij deed in de gaten hielden. Als hij dan bijna klaar was, stuurde hij mp3tjes met het voorlopige resultaat op, en dan mailden wij bijvoorbeeld terug: meer galm, minder gitaar, enzovoort. Pim is in die weken, soms samen met Edward, nog wel een paar keer persoonlijk gaan kijken en luisteren, maar ik zat een paar landen verderop waardoor dat lastig ging- en dat was maar goed ook. En eigenlijk deed Nico het zo voortreffelijk dat hij het haast wel alleen had kunnen doen.

 

Het is mij prima bevallen, deze werkwijze- de mixen waren, in de tijd dat ik me er nog wel heel erg mee bemoeide en nachten doorhaalde omdat het af 'moest', echt niet beter. Ook het nieuwe album wordt weer op deze manier afgemaakt: Hans Eijkenaar legt momenteel de laatste hand aan de feitelijke mix, ik bemoei me er, af en toe op ongetwijfeld hinderlijke wijze- op afstand mee. Dat was vroeger ondenkbaar: ik was er, vanaf de eerste tot de laatste studio-minuut bij. Geen noot werd er opgenomen zonder mijn aanwezigheid. Ja, een mens kan veranderen.

Eijk heeft niet alleen de zware taak op zich genomen om niet alleen als drummer Pim's plaats in te nemen, maar is ook als mixer/co-producer daadwerkelijk medeverantwoordelijk voor hoe het eindresultaat gaat klinken. En ik weet zeker dat Pim (de man zonder wie we niet verder hadden willen gaan, maar toch zijn gegaan) dat goed had gevonden. Met tegenzin, natuurlijk, maar toch. En heel misschien dat 'ie stiekem nog even, 's nachts als iedereen slaapt en niemand kijkt, in de computer duikt, een beetje aan de knoppen draait en met de faders schuift- net zolang totdat het ook naar zijn zin is.


Ton